Top
Ruud Koornstra is met twee vrienden oprichter van initiëringmaatschappij Tendris. Samen maakten ze tv-successen als ’Lingo’ en ‘Breekijzer’ en de verkoop van het bedrijf leverde miljoenen op. Met dit vermogen besloot het drietal duurzame ontwikkelingen te stimuleren door ‘groene’ bedrijven op te zetten. Dat ontwikkelen doet Koornstra vanuit een in de bossen verscholen landgoed in Naarden. Vanonder het – naar eigen zeggen – grootste rieten dak van Nederland.

Zat dat groene ondernemen er al in toen je nog tv-programma’s maakte?
“Misschien een beetje. Zelf noem ik het eigenlijk nooit ‘groen’. Ik maak verschil tussen goed en niet goed en verstandig en onverstandig ondernemen. In mijn vorige carrière ben ik er nooit mee bezig geweest. Had oogkleppen voor. Ik was 36 en zat in een midlife crisis. Bedrijf verkocht, miljoenen op de bank, mooi huis, dikke auto en daar zat ik dan. Doelloos. Dan hoor je ineens bij de rijkelui. Daar komt dat woord ook vandaan hè; rijk en lui. Toen ik om me heen keek in de wereld werd ik me bewust van alle ellende. Daar schrok ik oprecht van. Van dat moment heb ik vreselijk veel geleerd. Als je me toen had gezegd dat ik oogkleppen op had, had ik gezegd: joh, lazer op. Maar ik had ze wel degelijk op. Als jongetje van 14 was mijn grootste droom een nieuwe BMW. Vandaag de dag weet ik dat je je droom kunt leven. Dat dromen kúnnen uitkomen. En de droom van die BMW was gewoonweg armzalig.”

 

Je wilde weer gaan ondernemen?
“Ik besloot ter plekke dat ik het tweede deel van mijn leven een bijdrage wilde leveren aan een betere wereld. Mijn vrienden dachten dat ik wormen in mijn hoofd had en dat ik me waarschijnlijk ook zou aansluiten bij een sektarische gemeenschap. Maar ik moest en zou het realiseren. Ga maar na, noem iets op in de wereld en we verklooien het. Bij de overheid werken werd niks. Die komt ondanks vele goede intenties namelijk niet met oplossingen. Er is handelingsperspectief nodig en dus ging ik naar mensen op zoek die dat bezaten; ondernemers dus. Er moesten diensten en producten komen die duurzaam zijn. Zodat je in ieder geval kunt kiezen. Weet je; op deze aarde hebben we helemaal geen hardwareprobleem. We hebben een sóftwareprobleem en dat zit tussen onze oren. Binnen de keten waarbinnen je leeft en onderneemt behoren geen verliezers – mens, natuur en milieu – te zitten. Je hebt elkaar nodig. Of dat kan? Natuurlijk. Je kunt redesignen. En dat begint bij logisch nadenken. Het hoogste doel is toch om het leuk te hebben? Ik durf te beweren dat je gelukkig wordt niet ten koste van elkaar, maar mét elkaar. Als dat kwartje valt, dan kunnen we het zoveel leuker hebben.”

 

En dat demonstreer je met groene stroom, een groene creditcard en ledlampen.
“Precies, met die bedrijven heb ik laten zien dan het kan. Ik was drie weken geleden in Stockholm waar onder meer Tony Blair en Bill Clinton spraken. Clinton vertelde dat de uitvinding van het licht één van de duurzame systeemvoorbeelden is en hoe je die in de markt kunt zetten. En dan noemt hij ons! Dan denk ik: yes! Die man weet half niet hoe belangrijk het is dat hij dat zei. Eind vorig jaar zijn we met ons bedrijf Lemnis Lightening door het World Economic Forum, uitgeroepen tot Technology Pioneer 2009. Ik geloof heilig in onze Pharox-ledlamp. De traditionele gloeilamp verspilt zijn energie voor 99 procent aan warmte. Je vraagt om licht, maar je krijgt ongevraagd warmte. Onze ledlamp heeft maar een fractie van de energie nodig die de gloeilamp verspilt.”

En met Clinton als marketingman kun je niet meer stuk.
“Hij heeft absoluut deuren voor me geopend. Onlangs was ik op een Zwitserse conferentie in een levend Madame Tussauds. Loop ik zo tegen Poetin en Merkel aan. Ha! Komt Richard Branson naast me zitten op een bankje, om even later te staan pissen naast Kofi Annan. En het mooie is, ze zijn stuk voor stuk geïnteresseerd in ons duurzame verhaal. Op een goed moment stapte ik af op Rasmussen, de Deense premier. Op de hoek van een tafeltje hebben we een kwartier gepraat, waarop hij me vroeg naar Denemarken te komen voor een gesprek met hem en de minister van milieu. Da’s gewoon gaaf. Want wie ben ik nou met mijn Madurodam-bedrijfje? Je biedt als kleine partij handelingsperspectief, de logge multinationals kunnen dat in veel mindere mate omdat ze zo vastgeroest zitten in hun oude ding. De nieuwe economie vraagt om nieuwe bedrijfsvormen en daar ben ik naar op zoek.”

 

Hoe sterk is de drang naar het verkondigen van je duurzame evangelie eigenlijk?
“Als we maar een paar keer bewijzen dat het anders kan, dan lukt het. Iedereen is namelijk bereid. We willen allemaal een betere en schonere wereld. Een voorbeeld. Wat is de meest duurzame auto? Een Rolls Royce. Reken maar uit. En dan moet je wel eerlijk zijn in alles; grondstoffen, recycling, brandstofverbruik, onderhoud, hoe lang je ermee doet, et cetera. Okee, hij rijdt 50 jaar. In diezelfde periode heb ik misschien wel tien Priussen nodig. Dat beetje meer brandstofverbruik weegt er niet tegen op. Snap je wat ik bedoel? Waarom moeten auto’s na vier jaar worden ingeruild voor iets nieuws? Dat is een softwareprobleem. Een journaliste vroeg laatst aan een vrouw op Bonaire wat ze met hun oude auto’s doen. Na een lange stilte zei die vrouw: ‘Daar rijden we in’. Ja, maar als ze echt oud zijn, vroeg de journaliste weer. ‘Rijden’, zei de vrouw. ‘En anders maken we ze zodat we weer kunnen rijden’. Heus, het zit tussen onze oren. Als je duurzaam denkt, kun je voor minder geld in een elektrische Rolls Royce rijden. Maar dan moeten we wél het systeem veranderen.”

 

Is dat ook de ideële gedachte achter de Pharox-ledlamp?
“In feite wel ja. Zo’n lamp kost, zeg twintig euro. Gemiddeld brandt een lamp vier uur in een huis. Als je alle lampen vervangt, bespaar je circa twintig euro per lamp per jaar. Verwissel je tien lampen, dan verdien je tweehonderd euro per jaar. Het eerste jaar heb je ‘m dus al terugverdiend. Maar als buitenlamp brandt diezelfde lamp misschien wel tien uur en is de lamp al na vier maanden terugverdiend.”

 

Maar hoe gaan we dat mondiale softwareprobleem dan te lijf?
“Het gaat om het afzetten van oogkleppen. Het durven doordenken. Heroverwegen. Redesignen. Ik werk in allerlei vakgebieden waar ik geen verstand van heb, maar mijn overkoepelende kennis is de duurzaamheid. Ik kom een bedrijfstak binnen en ik denk alleen maar: duurzaamheid. Ik ga redesignen op basis van geen verliezers in de keten. Ik mocht laatst een verhaal houden bij de afdeling bouwkunde bij een technische universiteit. De strekking van mijn verhaal was: durf te heroverwegen. Een oude professor ging staan en zei: ‘Ik durf’. Om te vervolgen met: ‘We bouwen al 50 jaar geen huizen met houten vloeren meer, maar waarom hebben onze huizen nog wel een kruipruimte met alle nadelen van dien?’. Omdat niemand heeft het lef om te zeggen: stop die kruipruimte! Vervolgens stond er een andere professor op die zei: ‘Waarom bouwen wij in ons land waar de bodem het zachtst is, per kubieke meter de zwaarste gebouwen?’. Ik dacht alleen maar: hoera, ik ben niet meer nodig. Heroverwegen. Ga het doen! In 1904 vlogen de gebroeders Wright één mijl met hun vliegtuig. Nog geen elf jaar later vlogen er 300.000 vliegtuigen rondom deze aardkloot.

 

Dan kunnen wij toch zeker honderd jaar later die wereld in vijf jaar verduurzamen?”

Maar dan is de hamvraag: hoe?
“Iemand die iets met zijn handen kan is vreselijk veel waard en dat moeten we weer gaan koesteren. Dát is namelijk duurzaam. Reële economie. Alles daaromheen is nep. Eckard Wintzen had daar een mooie theorie over. Hij zei: ‘Laten we de belasting op arbeidsloon weghalen. Belast alleen datgene wat je aan de aarde onttrekt. Hij is nu een jaar dood en het is vandaag de dag nog zó waar. Als mijn fiets kapot gaat, kost me dat honderd euro voor een fietsenmaker. Maar ik kan bij de Makro ook voor honderd euro een nieuwe fiets halen. Zie je? Met belasting op uurloon krijgen we een servicegerichte maatschappij. Arbeidsloon kost veel minder, er zijn geen arbeidsproblemen meer en we gaan zuiniger om met alles wat niet arbeidsloon is. Want dat is simpelweg duurder. In het onroerend goed is het al lang bekend dat je beter iets goed kunt onderhouden, dan het kapot te laten gaan.”

 

Het wordt vaak vies gevonden om je geld ‘groen’ te verdienen. Hoe zie jij dat?
“Ik snap dat wel. Er zijn heel veel green washers. Shell loopt telkens zogenaamd voorop in de duurzame ontwikkeling, maar op het moment dat het een succes dreigt te worden, stoppen ze er mee. Ik vind Shell een hele knappe organisatie en ik ben er als Nederlander trots op. Wees alleen eerlijk. Shell is net een reder van vroeger die mensen naar Amerika bracht en toen kwamen de vliegtuigmaatschappijen. Maar er is nog nooit een reder een vliegtuigmaatschappij begonnen. Wél zien ze de vliegtuigen op zich afkomen. Geloof me, er heerst paniek bij Shell. Echter, bij instituten die dingen tegenhouden komen nu mensen die willen veranderen. Daar ben ik erg optimistisch over.”

 

Een prachtig groen gat in de markt dus.
“Groen ondernemen is voor mij geen gat in de markt, groen ondernemen is voor mij de missing link. Vijf jaar geleden stonden bij jonge werknemers de lease-auto, salaris en status bovenaan. Nu prijken zingeving, zelfontplooiing en vrije tijd bovenaan de wensenlijst. Die verschuiving is merkbaar. Voorheen reden de moeders in het Gooi hun kinderen met dikke SUV’s naar school, maar nu voelen ze zich ietwat onhandig en parkeren ze de auto om de hoek omdat de kinderen zeggen: mama, dit kán eigenlijk niet meer. In de geneeskunde, wat nu een hele chemische aangelegenheid is, worden grote doorbraken tegengehouden. Daar ben ik van overtuigd. Daar heb ik nog
wel een ambitie in. Evenals in het onderwijs. De wereld zit te wachten op inventieve mensen. Laat kinderen alsjeblieft een voorbeeld nemen aan de eerste Harry Potter-film. Tovenaars moeten het worden. Momenteel worden ze opgeleid om toch enigszins afgestompt niet te durven dromen.”

 

Wordt het geen tijd voor een nieuwe politieke partij: Groen Rechts?
“Ik denk het niet. Want wat kun je nu als politiek daadwerkelijk doen? Voorwaarden scheppen. Liever inspireer ik politici en reik ik ze voorbeelden en oplossingen aan. Ik wil álle politieke partijen omkrijgen en niet slechts ééntje. Ik word gelukkig steeds vaker gevraagd om mijn verhaal te komen vertellen en ik kan ministers en fractievoorzitters opbellen en dan luisteren ze naar me. Stilletjes hoop ik dat ik hier over vier tot vijf jaar mee kan stoppen. Dan hoef ik niet meer te demonstreren dat het anders kan, want dan doet iedereen het zelf al. Vandaag de wereld redden klinkt zo groots, maar daar draait het in essentie natuurlijk wel om.”

 

Tekst en fotografie Mike Raanhuis

 

Bottom